Romans en verhalen

Theo Monkhorst schrijft poëzie, proza en toneel. Hij publiceerde vier poëziebundels en losse gedichten in diverse van literaire tijdschriften in Nederland en België.

In 2010 verscheen het toneelstuk ‘King Dik, nar en koning’, dat in een openbare lezing werd gepresenteerd in het Haagse Spuitheater. Zijn monoloog 'Matenliefde' verscheen in 2013 op deze website.

Hij publiceerde vier romans: ‘Brieven aan mijn liefste’ en ‘Vuil bloed’, 'De paradox van Tinguely' en 'Blinde perfectie.'

Brieven aan mijn liefste
Novelle in briefvorm, 2005
Lees meer >

Korte teksten

Giaccomo's sterfbed
Lees meer >

Jongetje
Lees meer >

Aantekeningen in de tussentijd
Lees meer >

Een ongepubliceerd pleidooi
In memoriam Gerard Fieret
Lees meer >

Opinie

Dagboek

Dagelijkse aantekeningen
Lees meer >>

Nieuwe gedichten

Voor enkele recente gedichten
klik hier >

Gedichtenbundels

Poging tot benadering
gepubliceerd in 2000
Lees meer >

City of Glass
gepubliceerd in 1960
Lees meer >


Monoloog ‘Matenliefde’

Een dramatische monoloog over een veteraan met een posttraumatisch stress syndroom. Hij sluit zich op in een kleine witte kamer en spreekt 50 minuten over zijn gevoelens en ervaringen, zowel in oorlog als terug bij zijn gezin.



De hele verscheurde wereld trekt voorbij. Eén lezersreactie: ‘Ik ben ontroerd en stil en heb ook nog gelachen. Lees nu exclusief de gehele monoloog of download de PDF. Acteurs, regisseurs of producers die geïnteresseerd zijn, kunnen mij een bericht sturen.

Download de nederlandse versie
Download the english version



Theo Monkhorst

Matenliefde

Een monoloog

 

 

(De man – 24 – bevindt zich in een ruimte met een kale stoel en tafel en met witte muren, vloer en plafond.)

Dit is het.
Niemand.
Vier stappen. Vooruit, naar links, rechts, wat je wilt. Meer niet.
Leeg. Verademing.

Een stoel en een tafel natuurlijk.
Je moet ergens kunnen zitten.
Eigenlijk is de tafel overbodig. Maar hij geeft houvast. Je zit er achter. Of beter: eraan.
Anders zou je los in de ruimte zitten. Die is misschien niet zo groot, maar zelfs hier gaat een stoel zweven als hij alleen staat. Met duizeligheid tot gevolg.
Duizeligheid haat ik.
Geen focus, niet alert, dat kan nooit meer.
Maakt niet uit, zeggen ze. Een beetje duizeligheid kan geen kwaad. Bij mij wel. Veel kwaad. Voordat je het weet is het gebeurd. Als je even niet oplet is het gebeurd. Voor altijd.

Een rechte stoel. Geen leunstoel. In een leunstoel zak je weg. Hierin zit je rechtop.

Rechtop zitten, achter een tafel, in een kleine kamer vier bij vier, met witte muren. Dat is het. Niet denken. Nergens aan denken.

Dat moet je leren. Nergens aan denken.
Niet dat ik het kan, ik oefen.
Zo zitten, niets zien, want er is hier niets te zien. Niet denken, want er is hier niets om over te denken.

Ha, ha, ha, (lacht luidop).
Natuurlijk weet ik wel dat je kunt denken als er niets is om over te denken. Niets om je heen, bedoel ik, alleen een lege ruimte. Ja, ha, ha, ik weet het, ik zit hier zelf ook, dus is de ruimte niet leeg. Zo is het maar net.

Ik kan over mijzelf denken. Ik bedoel niet mijn hele zelf, hoewel dat ook zou kunnen, maar ik moet er niet aan denken. Die hele geschiedenis! Om gek van te worden.
Maar je kunt over stukjes van jezelf denken.
Bijvoorbeeld over je knie. Of je voet. Of het ontbreken van je knie en je voet. Hoelang zou je nodig hebben om over alle onderdelen van jezelf te denken, zodat je uiteindelijk over je hele zelf denkt, zonder gek te worden?
Wat een waanzinnige gedachte.


Het was toch de bedoeling om hier over niets te denken. Om de lege kamer in mijn brein voort te zetten. En aan je voet denken, of aan je knie, zelfs als die er niet meer zijn, is een bezigheid die eindeloos kan duren. Dus dat is alles behalve niets.

Nu heb ik toch al weer een hele tijd zitten denken aan denken en dat was niet toegestaan. Ik zou niet denken, ook niet over denken. Zelfs niet over niets, als dat al zou kunnen, want niets is de afwezigheid van alles, dus daar kun je niet aan denken.

Ik bedoel, zo dadelijk moet ik weer tussen de mensen, en dan heb ik mijn kostbare tijd in de leegte gevuld met denken in plaats van met leegte. In plaats van wit heeft het alle kleuren van de regenboog gekregen. Roze, de kleur van vlees, rood, de kleur van bloed, blauw de kleur van een bloeduitstorting, alleen geel ontbreekt nog. Terwijl ik uit ben op wit. Het wit van het niets.


Ach kinderen! Die onschuld!
Wat een rijkdom, wat een treurnis.
Nieuwsgierig, ongehoorzaam, stout, heerlijk.
Soms heb ik met hem te doen. Onnozelheid is een zegen, maar daarna…
‘Pappa’, zegt hij en ik kijk alsof ik begrijp wat ik zie.
Grote blauwe ogen, verwachting, hoop. Pijn.
Ja? Moet ik ja zeggen? Pappa?
‘Ja’, zeg ik. Natuurlijk zeg ik ja.
Alsof ik net terugkom uit de hel – zeg maar hel, je begrijpt wat ik bedoel – en dan zeg dat het leuk was.
Was het leuk? Nou ja, leuk, we hebben wel gelachen.
Natuurlijk hebben we gelachen.
Lachen was het beste.
Lachen doet pijn, maar het voelt beter.


Soms is pijn het beste.
Is dat wat ik zoek?

Zoek ik pijn in deze witte leegte met alleen mijzelf een tafel en een stoel?
Pijn is liefde. Daar gaat het om. Matenliefde.
Zelfde focus, zelfde angst, zelfde hoop.
Eén voor allen, allen voor één.
Ik mis Boze Frans. God, wat mis ik Boze Frans.


 

Mijn zoon is heel. Van top tot teen heel. Mooi, groot voor zijn leeftijd zeggen ze.
Er is zoveel te verliezen. Daarom heb ik met hem te doen. Als ik denk wat hij nog zal verliezen. Misschien geen arm of been, maar dan toch zeker verwachting.
Eens gaat de verwachting verloren.
Dan is het wat het is, plus de herinnering.


Die eerste keer. Uur of zes. De sergeant die keihard riep dat we moesten opstaan. Ik schrok me rot en wist dat het nooit meer zou zijn als daarvoor. Mijn dromen zijn voorbij, dacht ik, anderen bepalen mijn leven. Toen wist ik nog niet hoe dromen pijn kunnen doen, later, als je je eigen verhaal droomt.

Hoe dan ook, toen die sergeant mij wakker schreeuwde stond ik op en wist niet wat ik meemaakte. Een enorme ijskoude ruimte met stapelbedden, kerels in ondergoed die haastig hun uniform aantrokken. Plotseling begreep ik: dit is echt. Ik weet nog hoe bang ik was.

Waarom wist ik niet. Een soort kou, je adem werd afgeknepen, je wilde vluchten. Te laat. Je was op weg.

Ik weet nog hoe ik voorover gebogen in dat vliegtuig zat. Ik wilde het niet meemaken, durfde nauwelijks te kijken. Ze zaten toen al om mee heen. Luitenant Jean, sergeant Spuit, Haagse Henkie, Boze Frans, Grote Beer. Net zulke bange vogeltjes als ik. Mijn maten, zonder dat we het wisten. Toen we een uur hadden gevlogen keken de vogeltjes op. Beer begon te lachen. Toen hield ik al van hem. Lachen is het enige.


Denken over niets is nog beter.
De leegte in je hoofd voortzetten.
Zonder liefde, pijn.
Maar dat vereist training. Discipline. Wilskracht.
Waar ik genoeg van bezit. Dat hebben ze mij wel geleerd.
Liefde is iets anders, dit gaat over leegte, het hoogste zeggen ze.


Jane begrijpt het niet. Als ik thuis ben draait ze zenuwachtig om mij heen. ‘Waar ben jij mee bezig?’, vraagt ze. ‘Waarom heb je dat kamertje witgesausd? Wat doe je daar? Gaat het wel goed met je?’

Ik moet bekennen dat ik mij op mijn best voel. Beter dan ooit sinds ik terug ben.

‘Het lijkt wel of je er een minnares houdt’, zegt ze ook nog.
Ik moet lachen, laat haar de kale ruimte zien.

Maar het zet me toch aan het denken.


Kun je je voorstellen wat dat is, leegte?
Zal ik het pas ervaren als ik het heb gevonden en dan vergeten ben?
Want als je de totale leegte hebt gevonden, ben je het zoeken natuurlijk vergeten. Leegte is leegte is niets. Zoals de dood.
Als je eenmaal de dood hebt gevonden ben je dat vergeten.


Toen we terugkwamen met zijn allen in die hangar vol wachtende vrouwen. We keken elkaar aan, lachten tegen elkaar, zo’n onwennig lachje. Behalve Boze Frans. Die kon niet meer lachen.

Het was voor het eerst dat we uit elkaar vielen, iedereen zijn eigen vrouw zocht.
Ik zag haar staan, klein, blond, tussen twee donkere vrouwen. Ze zwaaide.

Wij keken elkaar weer aan, alsof we afscheid namen, ons verontschuldigden. Haagse Henkie, grote Beer, luitenant Jean, sergeant Spuit. Toen zwaaiden we terug. Behalve natuurlijk Boze Frans. Die kon niet meer zwaaien.


Ik wist niet wat ik zag. Als je maandenlang plaatjes van iemand bekijkt wordt zo’n plaatje iets van jezelf. Je vergroot het beeld. Die eerste foto naakt. Schuchter. Die witte trouwjurk. Achterop de motor. Basje als baby op een kleed. En de herinneringen die er in hakten. Was dat Jane? Die schreeuw bij de bevalling? Een dier, tanden bloot.

Beelden. Geluiden vallen weg op den duur. De open mond is een schreeuw. Het beeld is in je geheugen gehakt, dat neem je mee je graf in. Weet ik zeker. Die grote ogen en die schreeuw.

Waar was Jane? Ik wist niet wat ik zag.
Is dit Jane, dit meisje met tranen dat een jongetje tegen zich aandrukt?
‘Pappa.’
Met mijn ogen dicht omarm ik ze. Warme lijfjes. Misschien herinner ik me iets. Maar ik weet niet wat ik zie. Ik moet weer opnieuw beginnen. En zij ook, natuurlijk.


Is dit een witte rouwkamer? Koningen werden in het wit begraven. Wie begraaf ik hier? Boze Frans, mijn been?

Eigenlijk zou ik hier een zandweg op de muur moeten schilderen. Met pantserwagens. Je kunt zien dat ze langzaam vooruitgaan.
We waren vroeg op weg gegaan, drie pantsers en een jeep. Routine. Naar het dorp, laten zien dat we er zijn. De dorpsoudste groeten, kindertjes snoep geven. Vredestichters.

Waarom ontplofte die bom onder de tweede? Grote Beer aan het stuur. Wat deed hij fout? Deed hij iets fout? Als één iets fout doet, doen we allemaal iets fout. Samen zijn we een machine, vechtmachine. Alleen zijn we niets. Focus of dood. Boze Frans is nooit meer boos.


Om een hond kun je rouwen. Sommige mensen begraven hem in de tuin. Onder een steen of een stok. Hier ligt Fikkie, wij zullen hem nooit vergeten.
Kun je rouwen om een been? Hier ligt mijn been, mijn linker, ik zal hem nooit vergeten. Waar hebben ze mijn been gelaten? Hij is weg, maar ik voel hem nog.


‘Houd je nog van mij?’

Wat moet ik antwoorden?
‘Natuurlijk,’ natuurlijk zeg ik ‘natuurlijk.’
‘Net zoveel als toen je wegging?’
Wat moet ik zeggen? ‘Net zo veel?’, of ‘meer’ ?
‘Zoiets, veel, weet ik veel.’
‘Weet je het niet?’
‘Jawel, ik weet het zeker.’
Wat betekenen die woorden?
Waarom stellen we die vragen nu?

Als ik hier in mijn witte kamertje zit en probeer niet te denken komen die vragen vanzelf naar boven. Alsof ik twijfel. Vroeger stelde je die vragen niet.
Ik houd van je, vanzelfsprekend, als je het gezegd had was je het al weer vergeten.

Maar nu stellen we die vragen.


Als ze Basje zit voor te lezen, alsof ze één lichaam zijn, kan ik wel huilen. Dat beeld droeg ik daar niet bij mij. Ik kende het nog niet, wist niet dat ik het miste. Wat heb ik daar veel gemist van hier.

Nu mis ik hier daar.

Zoals we huilden met de maten. Na die bermbom, toen Boze Frans dode Frans werd. Samen huilen, als vrouwen. Het was bijna fijn. Frans was dood maar wij waren samen. Samen in de ellende. Toen ik luitenant Jean zag huilen hield ik van hem.
Hij zei niets. In de compound achter de muren. We zaten en lagen bij elkaar en zeiden niets. Beer lachte niet.
Na een uur gingen we aan het bier. Toen lachte Beer. Niemand wist waarom, maar iedereen lachte – en huilde.Samen.

Als ik Grote Beer naar voren zie kruipen, terwijl de kogels rond fluiten, ben ik trots op hem. Zo doen wij dat. Samen, voor elkaar. Eén focus: kill! En dan samen huilen. Nooit vragen: houd je van mij?

Wat zouden ze nu doen?


Hier regent het. Lakker mals. Of het onweert. Daar was het verraderlijk warm, zonder onweer. Hier is onweer is de vijand. Ik ben bang voor de vijand, maar ik laat het niet merken. Het sluipt naderbij, rommelt in de verte en plotseling een bliksemschicht als een sniper die je in je rug kan treffen.

‘Waarom kruip je in de kamertje als het onweert?’, vraagt Jane.
Basje moet lachen. ‘Pappa is bang voor regen,’ zegt hij, als ik mij opsluit in de stille witte kamer zonder ramen.

‘Kom maar bij mij,’ zegt Jane.
Maar ik ga naar de leegte.


Het voelt of mijn been er nog is.

Luitenant Jean speelt op zijn mondharmonica. Luitenant Toets.
Grote Beer ligt op zijn rug een autoblad te lezen.
Kijken of er een auto is waar hij in past. Haha.
Boze Frans lacht en steekt een stickie op. Hij bekijkt foto’s van zijn nieuwe baby, een verrassing. Ieder ogenblik kan er iets ontploffen.
Maar wij doen alsof er geen knoop in onze maag zit.

Jij was er nog. Mooi been. Jane was trots op je. Jij hebt mooie benen, zei ze, die winden mij op. Jane houdt van harige mannenbenen. Mijn been was harig. Ik voel hem nog. Zijn tenen bewegen, hij kan alle tenen apart bewegen. Een acrobaat onder de benen. Het bijzondere van twee benen is dat ze om de beurt naar voren en naar achter bewegen. Eén been kan maar één kant op.

Behalve in gedachten. Dan ren ik als een haas. Achter Grote Beer aan, van rotsblok naar rotsblok. Er zijn kennelijk geen snipers, misschien slapen ze, voorbereiding op de volgende aanval. Beer en ik, waarnemers voor het peloton. Dicht naast elkaar, zijn grote lijf maakt zich klein om mij een plaats achter de stenen te geven. Niets te zien. Geen mens. Een haas. Voordat je weet trapt hij op een bom en vliegt door de lucht.
‘Laten we hazen uitzetten. Dan ruimen die de bommen op.’ Lachen.
Ik mis je, mooi linker been. Ik weet hoe jij je voelt. Waar ben je?


‘Je bent vrij’, zeggen ze. ‘En veilig. Een heel verschil, toch? Wees blij. Je bent zo stil.’

Als ik niet weet wat ik zeggen moet, dan zwijg ik. Zij noemen dat stil. Je moet praten. Als je niet praat doe je niet mee. Ze zijn bang voor stilte.

Net als wij toen. ‘Wat is het stil, wat spoken ze uit? Ik zie niets, maar dat zegt niets, in een halve minuut suizen de kogels om je oren.’

Zij zeggen dat we hier veilig zijn. Democratie. Vrede.
Maar waarom zijn ze dan bang om stil te zijn? Waarom altijd praten?
Misschien liegen ze wel. Maar dat is minder erg dan stilte.
‘Hou je van mij?’
Waarom vraag je dat, waarom moet ik daar over praten?
Je moest eens weten hoe ik je heb gemist en Basje.


Toen ik haar miste hield ik van haar.

Wat was dat? Wat miste ik? Seks? Natuurlijk.
Maar wat echt? Wat daar achter? Als ik aan haar dacht, dacht ik meestal niet aan seks. Ik dacht aan het allereerste. Blonde krullen, hoopvolle bruine ogen. Toen ik haar zag staan met haar vriendinnen en ze plotseling opkeek en mij zag. Alsof ze schrok.
Daar dacht ik aan. Dat zit vast in mijn geheugen en daar dacht ik aan ’s nachts, als ik Boze Frans hoorde snurken en Beer schuifelen in zijn slaapzak.
Je moest eens weten hoe ik je miste.

Ik zoek nog steeds die ogen van de eerste keer.


Of ik chef wilde worden. Afdelingschef. Van de montage.

Je hebt alle kwaliteiten, zeggen ze. Discipline, betrouwbaarheid, vakmanschap, je klets niet te veel en de mannen kijken naar je op.
Ik schrok me rot.

Ze kijken naar me op omdat ze denken dat ik een geheim draag. Het geheim van de moordenaar. Het mysterie dat je groter maakt. Wie heeft gedood draagt een geheim. Die is stil, zijn ogen zijn nooit meer vrolijk. Daarom doen ze wat ik vraag. Ideaal voor een chef.

Ik schrok me rot.
En zei nee.

Als ik chef ben gaat het over mensen en ik houd meer van machines dan van mensen. Als ik over een motor lig en bedenk wat een prachtige constructie dat is, dan heeft dat iets intiems. Ik ken die constructie, weet waarom, wat en hoe. Een motor praat niet.
Focus, daar gaat het om. Deze collega’s tasten je focus aan. Vullen de leegte met praatjes. Ik houd van die zwijgende constructies. Wonderen die werken en als je ze moet repareren werk je aan een wonder. Aan mensen kun je niet werken. Die moet je bevelen en dat kan ik niet. Ik ben sergeant Spuit niet.


Het is me niet in dank afgenomen. Niet door de baas en niet door de jongens. Ik ben gek, zeggen ze. Sinds ik terugben ben ik gek.

Het zijn geen maten. Geen focus.
Zo’n garage lijkt een eenheid. Samenwerken zegt de baas, we hebben één doel, samen rijk worden. Maar iedereen werkt voor zichzelf. Daar kan ik niks mee.
Vreemdelingen. Ik houd niet van ze. Ze kunnen stikken.


Je moet niet zelf ontslag nemen, zegt Jane. Als je dat doet krijg je geen uitkering.

Je moet je laten ontslaan. Maar dat doet de baas niet. Ik werk hard, ik weet wat ik doe. Ook al ben ik gek.


Is de wereld plotseling omgekeerd? Als een garage tenminste een wereld is. Iedereen ouwehoert constant. Over alles en niks. Om vriendjes te blijven, denk ik. Vriendjes met de man die heeft gedood.

Maar nu ben ik gek. De moord is in zijn hersens geslagen, zeggen ze.
Geen idee wat ze bedoelen, maar ze zijn in ieder geval opgehouden met dat gelul. Het is stil geworden. Ik ben alleen met de motor waaraan ik werk, waar ik naar luister en die naar mij luistert.


( In de loop van het verhaal krijgt het witte kamertje een wandschildering: eerst een zandweg, dan vage bergen op de achtergrond, drie pantserwagens. Op de voorgrond een muurtje, waar je je achter kunt verschuilen. De tafel is op zijn kop gezet, poten omhoog. Hij zit in de tafel.)


De stilte heeft zich gevuld met zwijgende maten. Mijn jeep, mijn been, Frans, Beer, Spuit. Mijn jeep en mijn been zijn net zo vertrouwd als Boze Frans of Grote Beer. Van sergeant Spuit heb ik nooit echt gehouden, een dikdoener die over spuit praatte in plaats van geweer. Niemand vond dat leuk. Een grote bek, maar als we vrij waren op de compound, was hij meestal stil. Hij huilde niet. Sergeant Spuit was de enige die niet huilde. Er was iets met hem, we wisten niet wat. Maar hij hoorde er bij.

Iedereen hoorde erbij, zelfs een klootzak als Spuit.

Hier kan ik met hem praten.
Wat is er met je? Waarom huil je niet? Ben je uitgehuild? Mij kun je het wel vertellen.
Maar hij zegt niets terug. Toch hoort hij erbij. Hier in mijn outpost.


Jane wil vaak naar het nieuws kijken. Bas en ik niet. Wij kijken liever naar de Teletubbies, hoewel Bas daar eigenlijk te groot voor is. Dan zitten we samen in een zitzak. Een zitzak is gevuld met zand. Het voelt als de woestijn. Mijn grote lijf maakt zich klein voor hem. Samen zijn we één. Ik denk niet als ik naar de Teletubbies kijk. ‘Pap,’ zegt hij dan en glimlacht.

Jane is niet jaloers. Als ik samen met Basje naar de tv kijk, vind ze dat fijn.
‘Eindelijk vrede,’ zegt ze. ‘Ik heb je zo gemist, toen je daar was. Als ik geen bericht kreeg dacht ik dat je dood was. Soms stuurde je een hele week geen bericht. Ik werd steeds magerder. Tot ik wist dat je in een ziekenhuis lag. Zonder been, maar levend. Ik wist niet goed wat ik daarvan denken moest, maar je leefde tenminste en kon niet meer dood. En nu ben je zo stil, aan wie denk je?’


Als ik hier in mijn outpost zit, ben ik het dichtst bij de maten.

Moet je horen Frans, je kunt nu wel zeggen dat ze weg zijn, maar ze kruipen als mieren door het zand. Misschien hebben ze zich ingegraven. Zij hebben maar één doel: doden. Ons doden.
Hoe zeg je kill in het Arabisch? Jiie? Tenminste zo zag het er uit op Google translate, wat luitenant Jean heeft opgezocht. Wie het meeste gefocust is leeft het langst. Zij zijn net zo gefocust als wij.’
Frans zegt niets terug en toch hoor ik hem.
‘Eigenlijk zijn het maten. Ze zijn even gefocust als wij en hebben hetzelfde doel. Alleen bidden ze drie keer per dag. Misschien leidt dat af. Laten we het hopen. Maar misschien helpt het. Weet ik veel.’
Frans eindigde alles met ‘weet ik veel’ en toch was hij geen twijfelaar. Eerder een wijze. Misschien omdat hij ouder was. Ouder ook dan luitenant Jean, die eigenlijk een broekie was. Een mager mannetje, maar wel slim. Alleen bevelen kon hij niet. Dat moest sergeant Spuit doen. En die deed niets liever.’


Waarom laat je hem niet binnen?, vraagt Jane. Hij mist je. Basje staat voor de deur. Basje huilt. Pappa, huilt hij. Het kan natuurlijk niet. Hoewel het wel pijn doet. Mijn outpost. Ik wil niet dat Basje hier is, tussen de maten. Dit is de wereld van pijn. Niet van Basje, hoewel hij pijn heeft. Andere pijn. Mijn pijn maakt nieuwe pijn. Van vader op zoon pijn. Dat doet pijn.


Waar zou Spuit zijn en Beer en Jean? Waar Frans is weet ik. In de hemel zegt Jane, in de grond zeg ik. Gelukkig weet ik waar. Omdat we de kist mochten dragen. De laatste keer dat we ons uniform aan hadden. Haagse Henkie had in die korte tijd al een baard laten staan en zijn haar was ook al langer. Luitenant Jean was heel erg veranderd, of misschien leek het maar zo, was hij gewoon onzeker. Hij had al direct een baan en zijn uniform paste niet meer. Zou hij nog mondharmonica spelen?

Beer was Grote Beer, daar was niks mis mee. Ongepoetst koper, ongepoetste schoenen, zelfs op de begrafenis van zijn dikste maat. Spuit was er niet. Niemand wist waarom.

Toen wist ik al dat alleen Dode Frans en Grote Beer bij mij zouden blijven.


‘Het had erger gekund,’ zegt Jane. ‘Ik was bang dat je dood was. Dat was erger. Nu heb je nog steeds één beeldschoon been. Voor mij is dat genoeg. Hij wind mij op.’

Ze heeft gelijk. Ik kan gewoon op twee benen lopen. Een echt been en één van plastic. Ik voel twee benen en ik zie hem nog, een meter verderop in het zand. Alles is goed. Ik mis hem niet. Boze Frans mis ik. Zoals ik Basje mistte daar in de compound. Het is ook nooit goed.
Een jeep is genoeg, beter nog een pantserwagen. Een jeep is van karton, een pantser van staal. Hoewel het niet echt helpt. Eén bom is genoeg en je vliegt drie meter door de lucht. Mijn been had een eigen wil, die vloog nog een meter verder. Eerst voelde ik niks. Ik keek naar mijn been en dacht: kijk mijn been. Daarna weet ik niets meer.
Hier in de doodstille leegte, zie ik mijn eenzame been nog steeds. Alsof hij nooit weg is geweest. Ik voel hem ook. Dus eigenlijk is hij er nog. Alleen kan ik er niet meer op staan.


Waarom laat je ons niet binnen?, vraagt Jane. Basje en mij. Wij horen toch bij jou?

Ik kan het niet uitleggen. Houd je wel van ons?, vraagt Jane. Wat een vraag zeg ik.
Maar Jane gelooft mij niet. Je leeft in een andere wereld, zegt ze, daar horen wij niet.
Ze heeft gelijk. Maar ze moet me laten. Ik houd van Jane en Basje, maar ook van Boze Frans en mijn eenzame been. Hier van mijn maten, daar van Jane en Basje.

Je bent gek, zegt Jane.

In mijn witte leegte maak ik mijn hoofd leeg.

Jane wil geen seks meer.


Heb je pijn?, vraagt de dokter. Wat bedoelen ze? Heb je pijn. Natuurlijk heb ik pijn, wat dacht je. Ik mis mijn been, Boze Frans. Dat doet pijn, maar geeft ook warmte. Omdat ik van mijn eenzame been en Boze Frans houdt, ook al zijn ze er niet meer.

Dat bedoelen ze niet.
Slaap je goed?
Prima, beter dan daar, rustiger, hoewel daar soms terug komt, ’s nachts. Dan ga ik naar mijn witte kamer en denk aan niets.
Ze luisteren naar mijn hart met een stethoscoop. Met mijn hart is niks mis. Hij klopt al zolang ik leef, hij leeft met mij mee, soms sneller, dan is hij net zo bang als ik.

Ze denken dat ik ziek ben. Het heeft een naam waar ik niets mee te maken heb. Ik ben niet ziek, ik ben dit. Deze soldaat in zijn witte wereld, waar zijn hart klopt zodat hij leeft.


Het leger meldt zich. Pardon mevrouw, is uw man thuis? Heeft u even tijd?

Ik heb alle tijd.
Een vrouw in uniform, kapitein. Hoger dan sergeant Spuit en luitenant Jean.
Zou zij wel eens huilen?
Ze is daar geweest zegt ze. Vier maanden. Ze weet waar ze over praat.
Hebt u wel eens angst?, vraag ik.
Ze antwoordt niet, het gaat immers over mij.
Zeg het maar, zeg ik, wat wilt u weten?
Waarom ik ontslag heb genomen, wil ze weten.
Da’s niet zo moeilijk.
Bent u van plan weer te gaan werken?
Weet ik veel. Ik lijk Frans wel, ‘weet ik veel.’
Hoe is uw huwelijk?
Hoe is mijn huwelijk. Hou ik van Jane? Van Basje?
Lazer op kut, gaat je niks aan.

Boos, voor het eerst sinds ik terug ben.
Deze trut heeft mij boos gekregen.
Ik weet het wel. Ze is bang dat ik geld wil van het leger omdat het leger mij ziek heeft gemaakt. Nou, misschien wil ik dat ook wel. Zeker als ze zulke vragen stelt.

De grap is dat zij denkt dat ik ziek ben en dat ik daarom geld wil hebben.
Ik help haar niet uit de droom. Zij is geen maat. Zij heeft niet onze focus.
Hebben Grote Beer en sergeant Spuit zich ook ziek gemeld?
Terwijl zij niet ziek zijn, net zo min als ik. Maar dat weet het leger niet.


Voor het eerst boos. Echt boos. Vanbinnen woelt het, stormt het, golven. Heerlijk. Dank je trut. Eindelijk woedend. Schelden. Ik loop leeg, de stop is eruit getrokken. Kapitein Trut heeft de stop eruit getrokken. Ik kom terug zegt ze. Je ziet maar.

Basje huilt. Hij kruipt achter de rokken van zijn moeder. Jane trekt Basje in een hoek, grote ogen. Ze is bang. Bang voor mij? Ik ben haar man, zal haar nooit iets aandoen. Waarom is ze bang? Ik doe je niks aan, zeg ik. Ze knikt, maar haar ogen blijven groot. Ze houdt Basje stijf vast. Ik doe niks Basje, zeg ik. Jane trekt Basje verder in de hoek. Basje huilt.

Ik ben niet boos meer op die trut. Ik lach me dood. Als een kreeft kruipt ze achteruit naar de deur. Ik ben niet boos meer. Ik ben blij, eindelijk woedend. Het voelt zo goed.

Waarom zijn Jane en Basje nog bang? Ik ben niet boos meer, zeg ik. Kom maar bij mij. Ze geloven me niet. Wat zien ze? Een woedende man of een lachende man?
Ik lach hard als kapitein Trut weg is. Ik lach om mijn overwinning. Jane trekt Basje mee naar boven. Ik lach alleen. Ik lach me dood. Ik ben gek.


Een gek in een witte kamer. Hoe zou het met luitenant Jean zijn? En Grote Beer? Ik weet zeker dat sergeant Spuit in het leger blijft. Hij kan niks anders. Bevelen, knallen, rennen. Hij was niet bang en heeft al zijn armen en benen nog. Ervaren militair, die willen ze wel. Die lacht een kapitein niet uit. Alleen de soldaten. Daarwas hij een maat. Hier niet meer, ik ben hem kwijt.

Grote Beer niet. Ik moet weten hoe het met Grote Beer gaat. Mijn enige maat, behalve mijn eenzame been.

Ik moet me focussen. Op de leegte. Al is het maar één seconde. Eén seconde helemaal leeg. Moet kunnen, maar het lukt niet. Nergens aan denken, niet aan Frans, Beer, niet aan Jane, niet aan Basje, niet aan kapitein Trut, niet aan woede.

Dit is mijn outpost. Daar is de vijand. Ik schuif wel een beetje op Beer.
Het lijkt daar stil, maar je weet het nooit. Ze zijn slimmer dan je denkt. Eerst doodstil en dan een sniper. Lager Beer, je steekt boven die rots uit. Als jij een fout maakt ga ik er ook aan. Ik vertrouw je als mijn broer, als ik een broer had. Maar ik heb jou, hier, in mijn outpost, waar het veilig is. Veiliger dan waar ook ter wereld.

Woede was er niet bij. Ze zouden wel willen, die daar aan de andere kant van de weg. Ze zouden ons wat graag boos willen maken. Maar woede is emotie, waardoor je focus verblindt. Laat je niet opjagen zegt luitenant Jean. Laat je focus niet verblinden. Blijf cool, concentreer. Als je terug bent mag je huilen.

Deze witte kamer is niet leeg. Ze zijn hier allemaal. Overal kan ik aan niets denken behalve hier waar alle maten zich hebben verzameld. Hier mag je huilen van woede.


Onderweg naar Grote Beer keken de mensen naar mij alsof ze iets ongehoords zagen. Ik wist het: moordenaar. Niet dat het me iets kan schelen, maar ik weet dat dood uit mijn ogen straalt. Bloedrood als een ondergaande zon.

Toen ik ze schoot als hazen, die maten van de andere kant, soldaten die drie maal per dag bidden, zijn ze van mij geworden. Nu kijken ze door mijn ogen. En dat zien de mensen.

Je kunt het nooit aan een vrouw uitleggen, zegt Beer.
Hij heeft makkelijk praten, hij heeft geen vrouw. Alleen vriendinnen, heel veel vriendinnen, zegt hij en die stellen geen vragen. Hij lacht en drinkt wodka. Beer is altijd lachen, zelfs als hij geen werk heeft en dronken is. Als ik Beer aankijk, zie ik doden in zijn ogen. Hij lacht met zijn mond, zijn ogen zijn kwaad.
Ik denk dat ik terugga, zegt Beer. Naar de focus, de maten, de doden, bedoelt hij.
Hij is al wezen praten. Ze willen hem wel terughebben. Als korporaal. Promotie.
Ze hebben hem al ingepakt.
Ik zal hem missen als hij teruggaat.
Ga mee, zegt hij. Het is een baan. Ik zorg voor je.
Met één been?
Je hebt twee benen, zegt Beer. En je kunt er nog maar één verliezen. Ha, ha. Lachen. Met Beer is het altijd lachen.
Moet ik Jane en Basje in de steek laten?


Buiten kijken ze me aan. Ze zien het. Ik moet opletten, want buiten ben ik niet beschermd. Behalve als ik met Beer op straat loop, natuurlijk. Grote Beer. Hij ziet eruit als mijn bodygard.

Daar ben je veiliger, al je maten zijn je bodygard en jij bent de bodygard voor al je maten. Als ik niet met hem mee ga moet ik mijzelf beschermen. En Jane. En Basje.
Hier in mijn witte kamer ben ik veilig. Ook als Beer weg is. Behalve als ze me volgen – dan weten ze waar ze moeten zijn. Onderschat ze niet. Ze sluipen door tuinen en stegen, zijn ervaren, een guerrillatraditie, hit and run en sluipschutters vanaf daken. Als ik Basje naar de kleuterschool breng kijk ik altijd om mij heen en naar boven, naar daken en balkons.
Waarom gaan we hier langs?, vraagt Basje als ik probeer een vaste route te vermijden. Voor de afwisseling, zeg ik, of omdat ik dit een leuke straat vind.
Hij wil altijd meteen naar huis want mamma heeft chocomel en koekjes.
Pappa doet raar. Soms rent hij zomaar een stuk. Kom, zegt hij dan, we gaan rennen. Hij begrijpt niet waarom ik soms plotseling stilsta, of me buk en hem achter een heg trek. Avontuur zeg ik, maar Basje begrijpt het niet.


Hier ben ik niet bang. Kan ik gewoon ademen. Als ik probeer mijn hoofd leeg te maken. Luitenant Jean wist het precies. Concentreer op je buikademhaling en denkt alleen aan je navel, zei hij. Laat alles los, je voeten, je benen, rug, schouders, geen knuisten, laat los! Soms lukt het, maar soms staat Jane voor de deur. Kom je eten? Basje moet naar bed. Ik moet met je praten.

Jane wil geen seks meer.


Ga weg, roep ik dan, ze begrijpt het niet, ik moet me focussen op mijn navel, dan ben ik niet bang.

Het is eenvoudig om me te volgen. Het maakt niet uit waar ik ben. Of ik nou op straat loop, thuis zit of hier in mijn outpost, mijn telefoon verraadt mij. Het cadeau van Jane, toen ik terug kwam. Mijn IPhone. Ze weten natuurlijk waar ik woon. En waar Basje op school zit. Ik haal Basje niet meer op. Jane kan het wel doen tussen haar werk door.
Het is veiliger dat ik niet meer de straat op ga met mijn telefoon. Bijvoorbeeld naar grote Beer.

Jane schreeuwt het uit. Wat doe je? Weet je wel wat dat kost? Mijn cadeau.
Het doet me pijn, maar het moet. Hard stampen tot het ding totaal kapot is. Ik kan wel huilen, het ligt als een dood zwart beest, op de grond, een platgetrapte tor. Basje wil het oppakken. Laat dat zeg ik. Waarom ik dat zeg weet ik niet. Basje huilt, Jane huilt, ik huil.


Ik hou wel van je, zegt Jane. Van toen ik je leerde kennen. Sexy, opgewekt, altijd vol plannen. We moeten praten. Ik hou het niet vol. Alleen met Basje.

Hoezo alleen met Basje?, vraag ik. Je hebt mij toch.
Jij bent mijn tweede kind, zegt Jane. Dat ik niet begrijp. Misschien kun je er niets aan doen. Ben je een ander geworden. Ik houd het niet vol. Denk dat ik naar mijn moeder ga. Met Basje. Basje is bang voor je.

Basje is bang. Jane wil weg. Wat moet ik doen, Boze Frans. Ik wil niet boos worden. Wat zou jij doen? Jij zou boos worden, dat weet ik zeker. Maar ik wil niet. Ik wil niet schreeuwen tegen Basje. Concentreer, zegt luitenant Jean. Laat je niet opjagen. Ik wil Jane niet slaan, maar ze is zo gemeen. Ik houd niet meer van Jane. Waarom heb ik al die hazen geschoten, de dood in mijn ogen, iedereen ziet het. Ook voor Jane en Basje. Voor de vrijheid, democratie, ook van Jane en Basje. Jane wil geen seks, ze gaat weg, naar haar moeder. Als ik haar vastbindt kan ze niet weg.


Jij bent gek, zegt Grote Beer. Je kunt je vrouw niet vastbinden.

Vannacht was het moeilijkst zeg ik. En Basje, kon ook niet slapen.
Ik ga met je mee, zegt Beer. Beer is mijn maat. Die voor mij zorgt. Beer gaat terug, als korporaal. Hij maakt Jane los. Ik sta erbij.


Dit is het.

Niemand.
Vier stappen. Vooruit, naar links, rechts, wat je wilt. Meer niet.
Leeg. Verademing.
Een stoel en een tafel natuurlijk.


Je moet ergens kunnen zitten.

 

180613 Terny

© Copyright Theo Monkhorst, Den Haag, 2013.

 

Vertalingen/ Traductions/ Translations

Informatie