Romans en verhalen

Theo Monkhorst schrijft poëzie, proza en toneel. Hij publiceerde vier poëziebundels en losse gedichten in diverse van literaire tijdschriften in Nederland en België.

In 2010 verscheen het toneelstuk ‘King Dik, nar en koning’, dat in een openbare lezing werd gepresenteerd in het Haagse Spuitheater. Zijn monoloog 'Matenliefde' verscheen in 2013 op deze website.

Hij publiceerde vier romans: ‘Brieven aan mijn liefste’ en ‘Vuil bloed’, 'De paradox van Tinguely' en 'Blinde perfectie.'

Brieven aan mijn liefste
Novelle in briefvorm, 2005
Lees meer >

Korte teksten

Giaccomo's sterfbed
Lees meer >

Jongetje
Lees meer >

Aantekeningen in de tussentijd
Lees meer >

Een ongepubliceerd pleidooi
In memoriam Gerard Fieret
Lees meer >

Opinie

Dagboek

Dagelijkse aantekeningen
Lees meer >>

Nieuwe gedichten

Voor enkele recente gedichten
klik hier >

Gedichtenbundels

Poging tot benadering
gepubliceerd in 2000
Lees meer >

City of Glass
gepubliceerd in 1960
Lees meer >

Vuil bloed

Roman


‘Vuil bloed’ gaat over een schrijver in dialoog met zijn hoofdpersoon. Louis Prins, de schrijver, besluit na het lezen van een artikel over de Engelse dichter Philip Larkin een boek te schrijven over een lelijke man met een briljante geest. Aanvankelijk lijkt hij de verteller en meester van het verhaal te zijn, maar uiteindelijk wordt hij het slachtoffer, waarmee wordt aangetoond dat schrijven levensgevaarlijk is.

Nadat hij zowel het uiterlijk als het innerlijk van de lelijke man heeft geschreven en hem de naam Philip geeft, schetst hij diens jeugd in het fictieve dorpje Peulen, waar hij opgroeit als zoon van een dominee en een Amerikaanse moeder. In de ‘wreedste leeftijd’ van 41 jaar ontmoet hij hem dan als volwassen man in Den Haag, waar hij inmiddels raadadviseur is geworden van de minister-president. Omdat zij zich beiden realiseren dat zij afhankelijk zijn van elkaar begint hun gezamenlijk leven.

Gesitueerd in het Den Haag ten tijde van de inval in Irak door president George W. Bush , ontwikkelt zich een gecompliceerd verhaal, waarin de heksenprocessen van Salem, de schaker Bobby Fisher, een schone Russische schaakster en het zusje van Philip dat zelfmoord pleegde, een belangrijke rol spelen.
Terwijl de ambivalente relatie tussen de schrijver en zijn hoofdpersoon zich steeds meer als een vriendschap ontwikkelt, komt Philip tot de conclusie dat hij door toedoen van de schrijver het product is van de Europese duisternis en de Amerikaanse technologie van de vooruitgang. ‘Een levensgevaarlijke formule die alleen tot de ondergang kan leiden’.

Als de hoofdpersoon het schrijven ten gevolge van de ziekte van de schrijver ten slotte overneemt is de kring rond van de schrijver die zijn hoofdfiguur creëert tot de hoofdpersoon die de schrijver creëert. Zij realiseren zich uiteindelijk dat het niet om hen gaat, maar om het boek ‘dat wij zijn’. Zoals Philip zegt:
‘Toen begreep ik dat dit boek de schoonheid is waarvoor ik een offer moet brengen. Dit boek heeft ons beiden vuil bloed bezorgd. We hebben samen verloren en daarin schuilt de schoonheid’.

‘Vuil bloed’ is een verrassende en ontroerende roman, waarin fictie en werkelijk tegen het decor van de Haagse binnenstad door elkaar lopen en die uiteindelijk gaat over een ongebruikelijke bloedbroederschap.

Direkt te bestellen via www.dewitteuitgeverij.nl

Voor de volledige recensie in het weekblad Den Haag Centraal klik hier

 

Inleiding van Theo Monkhorst bij de presentatie van de roman ‘Vuil bloed’

‘Vuil bloed’, mijn nieuwe roman, heb ik geschreven omdat ik werd gefascineerd door het verschijnsel dat een heel lelijk mens heel aantrekkelijk kan zijn. Dat de inhoud van dat mens zo sterk is dat hij de vorm doet vergeten. Dat wilde ik onderzoeken, omdat verschil en overeenkomst tussen vorm en inhoud ons dagelijks bezig houdt. Wij kijken naar mensen die we voor het eerst tegen komen en vormen ons een beeld van hen op basis van de vorm en niet van de inhoud omdat wij die niet kennen.

Als wij iemand tegenkomen die lichamelijk gehandicapt is zijn wij geneigd om te schrikken, louter en alleen omdat wij ons vanuit de buitenkant van wat we zien een idee vormen over wat er binnenin zit. Als de vorm afwijkt van het modale moet de inhoud ook wel afwijken, dat is onze primitiefste reactie. Iemand die gehandicapt is moet dus zielig zijn of dom of wie weet wat nog meer, maar niet gewoon. Pas als wij de inhoud leren kennen kunnen wij ons een beeld van de hele persoonlijkheid vormen.

Read More Mijn lelijke man was Philip Larkin, een Engelse dichter die ondanks zijn lelijkheid zeer geliefd was bij de vrouwen. Althans dat werd gesteld in een artikeltje uit een krant dat ik las en dat mijn fascinatie veroorzaakte. Ik wist toen nog niet zoveel van deze dichter en naarmate ik meer met hem te maken kreeg ontdekte ik dat hij helemaal niet zo lelijk was en gewoon een enorme charmeur. Maar het kwaad was al geschiedt. Ik moest een boek schrijven over een hele lelijke man die briljant was. Niet zijnde Philip Larkin.

Nu heb ik voor een schrijver een grote handicap: ik heb een hekel aan research. Als een roman voor een schrijver tot doel heeft de grenzen van zijn eigen persoonlijkheid te verkennen, zoals Orhan Pamuk beweert, dan heeft het geen zin ergens buiten mijzelf naar gegevens te zoeken om mijn verhaal uit op te bouwen, maar moet ik naar binnen. In mijzelf het beeld van een lelijke man ontdekken en dat beschrijven. Het beste, zo dacht ik, was eerst te schrijven over zijn uiterlijk, dan over zijn innerlijk, vervolgens over zijn jeugd enzovoort.

Dus begon ik spontaan met een eerste zin, die luidde: Laat ik eerst je contouren schrijven. Het duurde even tot ik mij realiserende dat ik met deze eerste zin in feite de vorm van het verhaal definieerde. Het zou een boek worden over een schrijver die zich richt tot de hoofdpersoon en daarmee een relatie aangaat. Als het waar is wat Pamuk stelt, zou ik door deze vorm te kiezen – de tweede persoon enkelvoud – dus een emotionele relatie aangaan met de lelijke, maar ook briljante man in mij. Terzijde, om de boeiende paradox te laten zien die zo ontstaat: ik zou een man moeten beschrijven die intelligenter is dan de schrijver zonder hem dommer voor te doen dan hij is, of moet ik als auteur zeggen: dan ik ben? En wat dacht u van het surrealistische verschijnsel dat de hoofdpersoon uiteindelijk de rol van de schrijver overneemt? Dat verzin je niet van te voren, dat komt op je af. Misschien dat nu duidelijk wordt wat ik bedoel in het Aan de lezer dat voorafgaat aan het verhaal.

Met uitzondering van de geschiedenis is alles in dit verhaal verzonnen. Er kan dus geen enkele aanleiding zijn om vragen te stellen over de herkomst van de personen, of zij iets met de auteur te maken hebben, of de auteur misschien de hoofdpersoon is of zelfs de schrijver en dergelijke onzinnigheden die lezers vaak belangrijker vinden dan het verhaal zelf. Wie dit verhaal verzonnen heeft of hebben is onbekend. Zelfs de auteur heeft er niet veel invloed op gehad, hoewel niet ontkend kan worden dat het niet had bestaan als hij niet had bestaan.

Kortom, het verhaal heeft zich vanaf die eerste zin zelf geschreven. De auteur, schrijver, die niet de schrijver hoeft te zijn, heeft geput uit zijn brein, de geschiedenis, actuele gebeurtenissen, zoals de inval in Irak door DoubleU Bush en de dingen die hij onderzocht toen hij er in de loop van het verhaal tegen aanliep, zoals de heksenprocessen in Salam in 1692, de schaakhistorie rond Bobby Fisher, HIV en aids en de aankomst van vliegtuigen uit Moskou op Schiphol. Alles gebed in Den Haag met de Posthoorn, De Witte , het Voorhout en mijn favoriete café Locus. En niet te vergeten: mijn geliefde platteland van de Picardie.

 


 

Vertalingen/ Traductions/ Translations

Informatie